Heel soms voel ik haar nog, de faalangst uit mijn jeugd. Ik herken haar uit duizenden. Ze maakt me klein. Vertelt me dat ik iets niet kan. Dat ik niet goed genoeg ben.
Mijn manipulatieve moeder speelde daarin een grote rol. Ze vertelde me hoe ik me moest voelen. Als ik zei dat iets pijn deed, klopte dat gevoel blijkbaar niet. Als ik zei dat ik me alleen voelde, moest ik niet zo overdrijven. Langzaamaan leerde ik mijn eigen waarneming te wantrouwen. En daar kreeg ik een ander gevoel voor terug, dat er iets mis was met mij zonder dat ik snapte waarom: faalangst.
Ik leerde mijn emoties te onderdrukken. Ik leerde er te zijn voor anderen, niet voor mezelf. Van binnen leefde ik met een chronische onzekerheid.
Het heeft lang geduurd voordat ik mezelf echt weer onder ogen durfde te komen. Voordat ik mijn eigen waarheid weer kon voelen. Waar ik stond. Wat voor mij klopte. En dat ik daarop durfde te vertrouwen.
Het was een waardevolle les. Zelf voelen wat waar is voor mij. Mijn innerlijke autoriteit ontwikkelen. Mijn eigen intuïtie vooropstellen. Leren van anderen zonder mijn autonomie uit handen te geven. Voor mezelf op durven te komen. En misschien wel het belangrijkste: dat ik goed ben zoals ik ben.
Wanneer faalangst uit de jeugd doorwerkt
Veel mensen dragen nog sporen van faalangst uit hun jeugd met zich mee. Vaak ontstaat die onzekerheid in een omgeving waarin gevoelens werden ontkend of prestaties voortdurend werden beoordeeld. Langzaam kan dan het idee ontstaan dat er iets mis is met jezelf, terwijl het eigenlijk gaat om een oude overtuiging die ooit is aangeleerd.
Het herkennen van die oorsprong kan een belangrijke stap zijn. Om zo opnieuw te leren vertrouwen op je eigen waarneming. Juist daar begint vaak het herstel van zelfvertrouwen: in het besef dat jouw gevoel, jouw intuïtie en jouw innerlijke waarheid er mogen zijn.
